Achter iedere succesvolle man, stond een sterke vrouw. Zei men. Maar echt succesvol was hij nooit geweest, hoe sterk zijn vrouw ook was. Wat zegt dat over mij?, vroeg hij zich af. Wat zegt het over haar, de vrouw die hem zo na stond, al 30 jaar zijn steun en toeverlaat, de vrouw die hun kinderen had gebaard en groot had gebracht, het huishouden had bestierd, die ervoor had gezorgd dat de eindjes steeds aan elkaar konden worden geknoopt. De eindjes. De losse eindjes. Dat was hoe hij zich voelde nu. Een los eindje. Hij haalde een hand door zijn haar, grijs, en staarde over het water naar de witte vlekjes die in de verte deinend op de golven dansten. Een tango? Nee, een danse macabre.

 

Naar de camping gingen ze al jaren niet meer. Vroeger wel, met de auto naar Frankrijk. De kinderen achterin met een kleurboek en de wegenkaart. Het werd spannend als ze de Périphérique naderden. In volgorde van doorkomst zochten ze druk gebarend, de neuzen plat tegen het raam gedrukt en met schelle stem elkaar de loef afstekend –‘ik zag hem het eerst!’- , naar de afritten. Onrustig door de drukte, de hitte en de belofte dat de vakantie na Parijs echt zou gaan beginnen.‘Dan stoppen we voor een ijsje’. Ieder jaar. Bij hetzelfde tankstation. Waar zijn vrouw haar hand even op zijn rug zou leggen. ‘Op de helft. We zijn al op de helft.’ En dan knikte hij. Ze had gelijk.

 

‘Wat lust je te drinken, Ton?’

‘Wat staat er koud?’

‘Uhm, een witte wijn, heel erg lekker, maar die zul je vast niet willen.’

Ze keek hem lachend aan. Haar rode wangen, gekleurd door de zon en het glas dat op de plastic tafel voor haar stond, herinnerden hem aan vroeger. Zo was ze geweest. En zo was ze gebleven. Ondanks alles. Ondanks de jaren.

‘Doe maar iets van een biertje. Een Leffe of zo.’

Ze stond op en liep naar binnen.

‘Wil je hem in een apart glas?’

‘Ja natuurlijk, wat denk jij nou?’

‘Nou ja, het zou toch kunnen?’

‘Kom, Vera, je kent me.’

 

Hij had haar leren kennen in Maastricht. In een café. Natuurlijk in een café. Hij was niet op zoek geweest naar een vrouw, naar een vriendin. Maar daar was ze. En ze was er voor hem. Ze had hem aan de hand genomen en hem de stad laten zien. De Maas, het park. Daar, op een bankje, met z’n tweeën in het schemerduister van de invallende avond, had zij hem haar verhaal vertelt. Hij had gezwegen. Geluisterd. Verhalen kon hij haar niet bieden, had hij tenslotte gezegd, voor ze samen terugliepen naar de straat waar haar fiets nog stond en ze met een kus op zijn wang afscheid van hem nam. Gelukkig kon hij dansen.

 

‘O kijk, er is muziek vanavond.’

Hij keek op van zijn krant.

‘In het dorpshuis, en er mag gedanst worden.’

Hij sloeg de pagina met het sportnieuws om. De Tour. De Tour natuurlijk. Dit was Frankrijk.

‘Kom Ton, niet zo mopperen! Het is vakantie. Zullen we vanavond met de voetjes van de vloer? De bloemetjes buiten zetten? Het stijve lijf in beweging brengen?’

Ze stond op.

‘Doe wat je niet laten kunt, Vera. Maar ik ga niet mee.’

‘Dan ga ik alleen. Eens zien of ik nog wat sjans kan hebben.’

Ze knipoogde naar hem. Bracht zijn tweede Leffe en zette een plankje kaas op tafel.

‘Van de markt. Lekker hoor.’

 

Wat overbleef op het water was het geelgrauwe schuim van de koppen die over zijn in sandalen gestoken voeten rolden. De wind trok aan. Zoals iedere avond. Zoals in ieder leven af en toe de wind aantrok. Wat maakte het uit dat hij nooit echt succesvol was geweest? Wat maakte het uit dat de jaren waren gegaan zoals ze gingen? Hij was bij haar geweest. Hij had op haar mogen steunen. De losse eindjes in zijn leven had zij aan elkaar geknoopt. Verhalen had hij haar niet verteld, maar hij had gedanst- o ja, hij had gedanst! De tango, de rumba, de chachacha en de danse macabre. Hij haalde zijn hand door zijn haar, grijs, en draaide zijn kop in de wind. Het was vakantie. Het stijve lijf mocht in beweging. Ze had op hem gewacht, dat wist hij zeker. Na al die jaren. Zij was gebleven.